- Welke sterkteklasse en milieuklasse van de betonspecie moet ik aanhouden voor betonwegen?
- Welke cementsoorten komen in aanmerking voor betonverhardingen?
- Wanneer pas ik een luchtbelvormer toe in betonspecie voor betonverhardingen?
- Maak ik gebruik van een mobiele of een 'vaste' betoncentrale?
- Welke samenstelling heeft wegenbouwbeton?
- Hoe verkrijgt beton een egaal gekleurd oppervlak?
- Hoe zorg ik voor snelverhardend beton?
Welke sterkteklasse en milieuklasse moet ik aanhouden voor betonwegen?
Bij wegenbouw is een blijvend duurzaam oppervlak van groot belang. Een sterkteklasse van ten minste C28/35 is nodig voor toepassing bij fietspaden en plattelandswegen. Wanneer veel verkeer voorkomt (autosnelwegen), wordt betonspecie met sterkteklasse C35/45 gebruikt. Met de huidige slipformpavers die een grote verdichtingscapaciteit bezitten, is deze sterkte gemakkelijk te realiseren. De te gebruiken sterkteklasse wordt bij het ontwerp gekozen en met de daarbij behorende gegevens wordt het ontwerp gemaakt.
De milieuklasse van beton wordt gekozen afhankelijk van de mate waarin beton wordt blootgesteld aan aantastingen vanuit de omgeving. Openbare wegen, waarop dooizouten kunnen worden gestrooid, worden aangelegd in de milieuklasse XF4 (NEN-EN 206-1 en NEN 8005).
Bij vloeistofdichte verhardingen is soms een ‘zwaardere’ milieuklasse van toepassing, bijvoorbeeld bij het gebruik van chemicaliën.
Welke cementsoorten komen in aanmerking voor betonverhardingen?
Er zijn verschillende cementsoorten beschikbaar. Deze zijn vastgelegd in de cementnormen NEN-EN 197-1 en NEN 3550. In Nederland zijn, op basis van de samenstelling, een vijftal hoofdsoorten te verkrijgen. Deze hoofdsoorten worden aangeduid met de letters CEM gevolgd door het Romeinse cijfer I, II, III, IV of V.
In de wegenbouw worden CEM I (portlandcement) en CEM II/B-V, (portlandvliegascement) gebruikt. Gezien de goede verwerkbaarheid van beton gemaakt met portlandvliegascement, de lagere kosten van dit cement en de hoge eindsterkte, verdient deze cementsoort in de betonwegenbouw vaak de voorkeur.
Andere cementsoorten komen normaal gesproken niet in aanmerking. Zie ook www.enci.nl of www.betonpocket.nl
Wanneer pas ik een luchtbelvormer toe in betonspecie voor betonverhardingen?
Een luchtbelvormer in een betonverharding zorgt ervoor dat in het betonmengsel kleine goed verdeelde luchtbelletjes zijn opgenomen. Dit maakt het beton beter bestand tegen aantasting door vorst in combinatie met dooizouten. Of een luchtbelvormer noodzakelijk is bij betonwegen hangt af van de toe te passen sterkteklasse van het beton en de te gebruiken water-cementfactor.
In de praktijk worden luchtbelvormers weinig voorgeschreven.
Maak ik gebruik van een mobiele of een 'vaste' betoncentrale?
Betonspecie kan worden geleverd door een ‘vaste’ of een ‘mobiele’ betonmortelcentrale.
Een vaste centrale staat op een vaste locatie en levert vandaar uit betonspecie in de regio.
Bij een groot wegenbouwwerk kan een vaste centrale veelal onvoldoende betonspecie leveren. De gevraagde hoeveelheden overschrijden de productiecapaciteit en regelmatig moet de centrale ook de andere klanten bedienen.
Bij een te geringe capaciteit van een vaste centrale plaatst de wegenbouwer of zijn toeleverancier dan op of bij het werk een mobiele centrale. De capaciteit hiervan is afgestemd op de benodigde hoeveelheden per tijdseenheid voor dit werk. De levering van betonspecie kan ongestoord gebeuren en is afgestemd op de productiecapaciteit van de slipformpaver.
In kwalitatief opzicht is er geen verschil tussen beton van een vaste of een mobiele centrale. Het is mogelijk een mobiele centrale en een vaste centrale te combineren om een grotere capaciteit te verkrijgen.
Welke samenstelling heeft wegenbouw beton?
Bij de samenstelling van wegenbouwbeton zijn de volgende zaken van belang:
- de water-cementfactor;
- de cementsoort (veelal CEM I of CEM II/B-V);
- het cementgehalte (veelal minimaal 300 tot 320 kg/m3);
- de hoeveelheid grof toeslagmateriaal (veelal grind, gebroken natuursteen of betongranulaat fractie 0/32) en de verhouding grof/fijn, uitgedrukt in een zeefkromme;
- hulp- en vulstoffen (bijvoorbeeld vertragers of versnellers, plastificeerders, kleurpigment enz.).
Een water-cementfactor tussen 0,38 en 0,42 geldt voor aardvochtige betonspecie consistentieklasse C1 bij machinale verwerking – verdichtingsmaat 1,26 – 1,45.
Bij ‘handmatige’ aanleg met behulp van een trilbalk is de betonspecie vloeibaarder gemaakt met behulp van een (super)plastificeerder. Deze betonspecie bezit meestal een consistentieklasse S3 of F4 (plastisch of zeer plastisch volgens NEN-EN 206).
De sterkteklasse van wegenbouwbeton is vaak C28/35 of C35/45.
Hoe verkrijgt beton een egaal gekleurd oppervlak?
De kleur van beton wordt bepaald door de kleuren van de gebruikte materialen.
Uitgaande van een constant mengsel, geproduceerd met steeds dezelfde grondstoffen, in constante gradatie, zal een egaal gekleurd oppervlak ontstaan. Uiteraard moet ook de na het storten aangebrachte oppervlaktetextuur constant zijn.
Verder is het heel goed mogelijk door het toevoegen van kleurstoffen beton te kleuren. Het spreekt voor zich dat de dosering van de kleurstoffen en de menging constant moeten zijn.
Een andere mogelijkheid is het inkleuren van het vers gestorte oppervlak met pigmentstoffen.
Hoe werkt snelverhardend beton?
Snelverhardend beton wordt verkregen door de water-cementfactor niet te hoog te kiezen (aardvochtige betonspecie) en bijvoorbeeld 50% van het cement te vervangen door cement CEM I 52,5R. Soms wordt al een sterkteklasse C28/35 bereikt na één etmaal verharden.
Een goede nabehandeling (vocht vasthouden en warmte-isolatie) is belangrijk, omdat bij snelverhardend beton een hogere temperatuurontwikkeling optreedt en de temperatuurverschillen over de dikte van de betonverharding beperkt moeten blijven.



